“‘De samenwerking tussen psychologen en OG’ers is ongelooflijk belangrijk als het gaat om kinderen. Bij elk kind dat zorg nodig heeft, staat voor mij dezelfde vraag centraal: wat heeft het nodig om zich gezond te ontwikkelen?
Stel je voor: een kind laat extreem druk gedrag zien. Dan kijkt de OG’er naar alle facetten binnen de brede context van het gezinssysteem. Naar de thuissituatie en alles wat daar gaande is, naar de school, de leerkracht en wat er allemaal al opgezet is. De OG-er zoekt naar samenwerking, onderzoekt welke hulp nodig is en of specialistische hulp van de GGZ/psycholoog van belang is voor ouder en/of kind. Ik geloof dat je in veel gevallen kunt voorkomen dat kinderen in de GGZ terechtkomen als je de OG’er op zijn plek zet.
In zijn besluit om de opleiding van de OG’er niet te bekostigen, schrijft de minister dat hij wél de grote meerwaarde van de beroepsgroep ziet. Tegelijk blijft de overheid de opleiding tot gz-psycholoog bekostigen en die tot OG’er niet. Dat is een gekke beslissing in deze tijd, waarin de wachtlijsten in de zorg lang zijn.
OG’ers kunnen ervoor zorgen dat deze korter worden. Door problemen te voorkomen, de context in kaart te brengen en helder te schetsen wat het pad is naar de juiste hulp. Dat kunnen OG’ers heel goed. Maar door deze beslissing zullen sommige orthopedagogen eerder de opleiding tot gz-psycholoog doen, zelfs als ze een orthopedagogisch hart hebben. Dat is zonde. Want als er niet genoeg OG’ers worden opgeleid, zullen de wachtlijsten in de jeugdzorg enkel langer worden.”